FAQ

Inspectie keuring vloeistofdichte piste of inkuiping, luchttest.

WANNEER IS EEN VOORZIENING VLOEISTOFDICHT?
De definitie van vloeistofdicht luidt als volgt: "Vloeistofdicht is de situatie waarbij een vloeistof de niet met vloeistof belaste zijde van een voorziening niet heeft bereikt."
MOET UW VLOEISTOFDICHTE PISTE OF INKUIPING GEINSPECTEERD WORDEN?
Vloeistofdichte pistes en inkuipingen kunnen worden vereist in de bepalingen van VLAREM II. Wanneer u SFA-Testsystemen voor een inspectie inschakelt, onderzoeken wij altijd eerst of de kwalificatie "vloeistofdicht" wel past bij het te beoordelen object. Indien met een lichter regime kan worden volstaan, zal SFA-Testsystemen u daarvan op de hoogte brengen en waar nodig behulpzaam zijn bij het overleg hierover met het Bevoegd Gezag (bijvoorbeeld gemeente of provincie).
WORDT DE BEDRIJFSRIOLERING OOK GEKEURD?

Vaak is een vloeistofdichte piste of inkuiping aangesloten op het bedrijfsriool. Echter niet altijd is er in de wet- en regelgeving of in de vergunning dat de bedrijfsriolering moet worden beoordeeld. In alle gevallen zal de Deskundig Inspecteur de gebruiker van de voorziening attenderen op de mogelijke risico's van bodemverontreiniging door bedrijfsafvalwater dat wordt afgevoerd door een mogelijk defect bedrijfsriool. SFA-Testsystemen adviseert haar opdrachtgevers dan ook om ook de bedrijfsriolering aan een regelmatige inspectie te onderwerpen. Door middel van het afpersen van de riolering kunnen wij de mate van vloeistofdichtheid voor u bepalen.

OPLEVERINGSCONTROLE NIEUWE VLOEISTOFDICHTE PISTE OF INKUIPING
Bij de aanleg van een nieuwe vloeistofdichte voorziening (piste, inkuiping, bedrijfsriolering) is de toekomstige gebruiker erbij gebaat zeker te weten dat de aangelegde voorziening op alle punten ook daadwerkelijk vloeistofdicht is. U betaalt voor een vloeistofdichte piste of inkuiping, dus u wilt ook de garantie dat deze vloeistofdicht is. Door het uitvoeren van een opleveringscontrole met behulp van het SFA Luchttest systeem, iets dat inmiddels vele opdrachtgevers al doen, kan die zekerheid worden verkregen. Alle gebreken die met de SFA Luchttest worden gesignaleerd, kunnen dan nog vóór oplevering op kosten van de aannemer worden hersteld. Vanzelfsprekend kan op basis van dit onderzoek (en na eventueel herstel) ook direct de Verklaring Vloeistofdichte Voorziening op deze voorziening worden afgegeven. Neem contact met ons op voor de besteksteksten voor een opleveringsinspectie van uw vloeistofdichte piste of inkuiping.
OVERIGE MILIEUKEURINGEN

Door combinatie van meerdere verplichte inspecties en controles op uw locatie, kan met een efficiënte inzet van middelen, een optimaal resultaat worden bereikt.
Zo kunnen wij het inspectieprogramma voor vloeistofdichte vloeren of verhardingen desgewenst combineren met activiteiten in het kader van:

  • Rioolinspectie
  • Grondwatermonitoring
  • Dampretoursystemen
  • Bodemluchtmonitoring
  • Meting bodemweerstand
  • Inspectie aarding
  • KB en water/bezinksel ondergrondse tanks en leidingen
  • Et cetera.

Controle en onderhoud blusmiddelen.

WELKE 3 FACTOREN SPELEN EEN ROL BIJ HET ONTSTAAN VAN BRAND?
De drie elementen die brand veroorzaken vormen de zogenaamde vuurdriehoek. De vuurdriehoek bestaat uit (1) brandbaar materiaal, (2) zuurstof, (3) temperatuur. Zodra één van deze elementen ontbreekt, kan geen brand ontstaan.
WELKE SOORT BLUSSERS ZIJN ER OP DE MARKT BESCHIKBAAR?
CO2 blusapparaat: Bediening: Blusapparaat rechtop houden. Naar basis van de vlammen richten op 1 tot 1,5 m van de brandhaard. Spuittrechter vasthouden bij handvat. Continu spuiten op vloeistoffen. Heel efficiënt op vlammen. Aandachtspunten: Wordt enkel gebruikt bij kleine branden. Opgelet voor vrieswonden: -78°C. Poederblusapparaat: Bediening: Blusapparaat rechtop houden. Naar basis van de vlammen richten op 3 tot 4 m van de brandhaard. Onderbroken straal op vaste stoffen. Continu spuiten op vloeistoffen. Snel en efficiënt op vlammen. Autonomie: 15 sec. Aandachtspunten: Schade na blusactie, het poeder kruipt tot in de kleinste hoekjes. Beperkt het zicht. Water met additief blusapparaat Bediening: Blusapparaat rechtop houden. Naar basis van de vlammen richten, aftand t.o.v. de brandhaard varieert in functie van de straal. Duurzame blussing dankzij de schuimlaag. Efficiënt op gloeiresten. Onderbroken straal op vaste stoffen. Autonomie: 60 - 90 sec. Aandachtspunten: Weinig schade na blusactie. Traag. Muurhaspel Bediening: Naar basis van de vlammen richten, afstand t.o.v. de brandhaard varieert in functie van de straal. Efficiënt op gloeiresten. Onderbroken straal op vaste stoffen. Autonomie: onbeperkt. Aandachtspunten: Schade na blusactie. Gevaar op vloeistoffen. Elektrocutie.
WELK BLUSAPPARAAT GEBRUIK IK BIJ WELKE BRANDHAARD?
CO2-blusapparaat Wordt enkel gebruikt bij kleine branden van het type B (ontvlambare vloeistoffen) en het type C (gassen). Poederblusapparaat Wordt gebruikt bij branden van het type A (vaste stoffen), het type B (ontvlambare vloeistoffen) en het type C (gassen). D-poeder is een speciaal type poeder die enkel geschikt is voor metaal branden. Water met additief blusapparaat Wordt gebruikt bij branden van het type A (vaste stoffen) en het type B (ontvlambare vloeistoffen). Muurhaspel Enkel efficiënt bij branden van het type A (vaste stoffen).
HOE LANG KAN MEN BLUSSEN MET EEN BLUSAPPARAAT?
Dat is per merk en type blusapparaat verschillend onderstaande een schatting van gemiddelde blustijden: CO2-blusapparaat: 20 sec. Poederblusapparaat: 15 sec. Water met additief blusapparaat: 60 - 90 sec. Muurhaspel: onbeperkt.
WAT IS DE LEVENSDUUR VAN EEN DRAAGBAAR BLUSAPPARAAT?
Een brandblusser mag volgens de NEN 2559 maximaal 20 jaar oud zijn. Echter staat in deze zelfde norm dat elke brandblusser na 10 jaar gereviseerd dient te worden. Nu is het uit economische oogpunt goedkoper om na 10 jaar een nieuwe brandblusser aan te schaffen dan deze te laten reviseren.
MOET EEN BLUSAPPARAAT GECONTROLEERD WORDEN?
U, als gebruiker, dient te voorzien in een jaarlijks onderhoud van de brandblusapparaten en de drukflessen, door een bevoegd persoon. Dit onderhoud gebeurt in overeenstemming met de voorgeschreven norm inzake beveiliging tegen brand en indringing. De frequentie kan opgevoerd worden, rekening houdend met omgevingsfactoren of speciale risico's.
HOEVEEL BRANDBLUSSERS MOET IK PLAATSEN?
In de nieuwe norm NEN 4001 is aangegeven hoeveel brandblussers er nu eigenlijk geplaatst moeten worden. Daarbij wordt uitgegaan van een aantal factoren. Hoe groot is het risico op brand? Hoeveel mensen aanwezig? Grootte van het gebouw. Hoe groter het risico, het aantal mensen en het gebouw, hoe meer blussers u moet plaatsen. Bij een groot risico moet u uitgaan van ongeveer 1 brandblusser per 100 m2, bij het minste risico moet u uitgaan van ongeveer 1 blusser per 300 m2. Dit moeten dan wel een poeder of een schuimblusser zijn. Een koolzuurblusser mag u ook plaatsen maar deze moet dan boven op de sterkte geplaatst worden.
WEL OF NIET 1 KEER PER JAAR BRANDBLUSSERS CONTROLEREN?
Met de invoering van het gebruiksbesluit is er ook een wijziging gekomen met betrekking tot de keuringstermijn van kleine blusmiddelen. Hierover is op dit moment landelijk veel onduidelijkheid. Onderhoud dient jaarlijks opnieuw uitgevoerd te worden. Mocht de klant een controle van 1x per twee jaar willen dan nog zal een periode ingeknipt worden van een jaar! Anders voldoet het REOB onderhoudsbedrijf niet aan de norm. Ook moet er goed gekeken worden of er ander criteria zijn waaraan het object moet voldoen. Wellicht dat er op het object een eisende wet of regelgeving van kracht is met betrekking tot de brandpreventieve middelen. Daarnaast is er altijd nog de brandverzekering die een eis neer kan leggen met betrekking tot de brandpreventieve middelen. Ook deze wetten, regelingen en eisen van de brandverzekeraar komen vaak op minimaal 1x per jaar uit! Let dus goed op wanneer er uitspraken worden gedaan met betrekking tot de keuringstermijn van kleine blusmiddelen. In veel gevallen zal de controle 1x per jaar blijven.
WAT ZIJN DE EISEN VAN BRANDBARE STOFFEN EN MATERIALEN?
Terreinen of gedeelten van terreinen waar opslag van brandbare stoffen of materialen plaatsvindt, moeten worden voorzien van aanvullende beveiliging, per 150 m2 of een gedeelte daarvan, bestaande uit: — één 6 kg blustoestel met als blusstof ABC- of BC-poeder of — één 6 l blustoestel met als blusstof water, water met additieven of schuim. In plaats van draagbare blustoestellen kunnen ook verrijdbare blustoestellen worden toegepast. Eén verrijdbaar blustoestel met een inhoud van 50 kg poeder of 45 l of 50 l schuim vervangt daarbij acht draagbare blustoestellen met een inhoud van 6 kg poeder of 6 l schuim, of vijf draagbare blustoestellen met een inhoud van 9 kg of 12 kg poeder of 9 l schuim. OPMERKING: Keuze van de blusstof geschiedt volgens de tabel 1 in de Nen 4001 De blustoestellen moeten zo worden geplaatst dat een snelle, veilige en doelmatige inzet mogelijk is.
HOE MOETEN ROOKMELDERS WORDEN ONDERHOUDEN?
Behalve het periodieke testen met de testschakelaar moet de rookmelder bovendien minimaal 1 keer per jaar met een zachte borstel en de stofzuiger worden schoon gemaakt. Maak ook het deksel schoon met een vochtige doek. Schakel voordat u met het schoonmaken begint de netspanning naar de rookmelders uit! Vergeet na het schoonmaken niet de spanning weer in te schakelen. Minimaal 1 maal in de 4 jaar moeten de batterijen van de rookmelders vervangen worden.
HOE MOETEN ROOKMELDERS WORDEN GETEST?
Test de rookmelder eens per maand door +/- 20 seconden op de testschakelaar te drukken. De elektronische zoemer moet het alarmsignaal geven. U dient de rookmelder altijd na een lange periode van afwezigheid (zoals bijvoorbeeld vakantie) te testen evenals na het vervangen van de batterij of het uitvallen van de netspanning. De rookmelder gaat na een alarm automatisch terug naar de bewakingstoestand wanneer de oorzaak van het alarm (d.w.z. de rook) helemaal verdwenen is. Als de rookmelder niet aan de eisen voldoet, moet u deze onmiddellijk laten repareren of vervangen door een erkend installateur.